Onderzoeksresultaten Zorgcirkel Waterland (2006)
Locatie Molentocht


drs. Marieke van den Tooren & prof.dr. Jan de Jonge

Technische Universiteit Eindhoven
Capaciteitsgroep Human Performance Management
E-mail: M.v.d.Tooren@tue.nl

Casus 1: Ans werkt in een verzorgingshuis en een van haar taken is de bewoners in en uit bed helpen. Deze taak vergt lichamelijk veel van Ans, waardoor zij besluit gebruik te maken van een van de aanwezige tilliften om zo de belasting van haar lichaam te beperken.


Casus 2: Tijdens haar werk wordt Ans regelmatig geconfronteerd met ziekte en overlijden van cliënten. Ans heeft het hier best wel eens moeilijk mee en vindt haar werk op die momenten emotioneel belastend. Tijdens het werkoverleg brengt zij dit ter sprake, omdat ze weet dat haar collega's haar begrijpen en haar zullen steunen. Naderhand voelt Ans zich vaak opgelucht, zit ze lekkerder in haar vel en heeft ze het gevoel er weer volop tegenaan te kunnen.

Casus 3: Er zijn dagen dat Ans veel aan haar hoofd heeft. Zo gebeurt het wel eens dat cliënten veel verschillende soorten medicijnen moeten krijgen, er voor sommige cliënten een arts moet komen en er (met spoed) behoefte is aan bepaalde hulpmiddelen (bijvoorbeeld een rollator voor mevrouw Gerritsen en een ziekenhuisbed met antidecubitusmatras voor de heer Janssen die op sterven ligt). Deze informatie moet door Ans worden onthouden en verwerkt en vormt voor haar een mentale (= cognitieve) belasting. Om er zeker van te zijn dat zij bepaalde dingen niet vergeet, probeert ze zoveel mogelijk zaken direct te regelen. De iets minder urgente zaken noteert ze, zodat deze op een later tijdstip kunnen worden geregeld. Op deze wijze maakt Ans haar hoofd weer vrij en kan ze haar aandacht volledig op haar zorgtaak richten.

 


Inleiding

Bovenstaande casussen zijn zomaar drie mogelijke voorbeelden uit de praktijk; het werk van Ans brengt een bepaald type belasting met zich mee en vervolgens onderneemt zij een of meerdere stappen om deze belasting, danwel de gevolgen ervan, te beperken of te verminderen. Wat Ans feitelijk doet wanneer ze deze stappen onderneemt, is zogenaamde hulpbronnen inzetten. Dat kan een tillift zijn, emotionele steun van collega's, maar ook haar eigen kennis en ervaring die haar vertelt dat ze urgente zaken direct moet afhandelen, alsmede de mogelijkheid het werk zelf in te kunnen delen. Tevens dienen de cliëntendossiers waarin zij alles opschrijft als een geheugensteuntje.

 

Het lijkt vanzelfsprekend dat als er sprake is van respectievelijk cognitieve, emotionele en fysieke taakeisen, Ans respectievelijk cognitieve, emotionele en fysieke hulpbronnen in het werk inzet, zoals autonomie, collegiale steun of een tillift. Echter, wil men bepaalde hulpbronnen kunnen inzetten in het werk, dan moeten deze wel aanwezig zijn. En stel dat ze aanwezig zijn, maar men vindt ze voor de betreffende situatie niet relevant, zou men ze dan alsnog inzetten? Of besluit men op zulke momenten andere hulpbronnen in te zetten die minder goed lijken te passen, maar wel als relevant worden beschouwd? En welke rol spelen persoonlijke eigenschappen hierbij? Beschikken mensen over bepaalde persoonskenmerken die ervoor zorgen dat de ene werknemer passende hulpbronnen als relevant beschouwt en als zodanig inzet, terwijl een collega die zich in precies dezelfde werksituatie begeeft, juist de voorkeur geeft aan niet-passende hulpbronnen?

 

Dit zijn enkele vragen die onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven bezighouden, en waarop zij antwoord trachten te krijgen door middel van een zogenaamd vignette onderzoek dat in november 2006 is uitgevoerd onder 281 medewerkers van Zorgcirkel Waterland, locatie Molentocht. Het onderzoek bestond uit een tweedelige vragenlijst. Het eerste gedeelte betrof 11 vragen die tot doel hadden te meten hoe de medewerkers van locatie Molentocht "in het werk staan". Ofwel, zijn het medewerkers die zich veelal behoudend en vermijdend opstellen en een voorkeur hebben voor risicoloze werksituaties (vermijdorientatie), of zijn het juist medewerkers die zich actief opstellen en risico's aandurven (streeforientatie)? Deze opstelling (te beschouwen als een persoonskenmerk) zou van invloed kunnen zijn op de wijze waarop men hulpbronnen waarneemt en inzet. In het tweede gedeelte van de vragenlijst werden drie specifieke (cognitieve, emotionele en fysieke) veeleisende werksituaties ("vignetten") beschreven. Onder elke beschrijving stonden drie mogelijke (cognitieve, emotionele en fysieke) hulpbronnen in het werk, gemeten met 15 items (vijf voor iedere hulpbron). Respondenten werd gevraagd voor elke hulpbron aan te geven of deze (1) aanwezig was in de werksituatie, (2) relevant zou zijn voor de betreffende werksituatie, en (3) of er ook daadwerkelijk gebruik van zou worden gemaakt. De resultaten van dit onderzoek zijn inmiddels verwerkt en worden hieronder besproken.

Resultaten

 

In totaal hebben 90 van de 281 medewerkers (32%) deelgenomen aan het vignette onderzoek. Van een aantal respondenten ontbraken er in de vragenlijst echter dusdanig veel gegevens, dat ze niet zijn opgenomen in de definitieve onderzoeksgroep. De groep respondenten die deel uitmaakt van dit onderzoek bestaat daardoor uit 83 medewerkers (30%).


De resultaten zullen als volgt worden besproken aan de hand van drie grafieken (aanwezigheid, relevantie en gebruik), waarna tevens de rol van persoonlijkheid aan de orde wordt gesteld (niet afgebeeld). Als alle resultaten zijn besproken, worden er tot slot een aantal conclusies geformuleerd.


Aanwezigheid van hulpbronnen in veeleisende situaties
In een cognitief belastende werksituatie ('cog taak' in Figuur 1) zijn er volgens de medewerkers meer emotionele werkbronnen aanwezig dan cognitieve en fysieke werkbronnen. Tevens blijken er meer cognitieve dan fysieke hulpbronnen aanwezig te zijn (zie Figuur 1).

Figuur 1 Aanwezigheid van cognitieve, emotionele en fysieke hulpbronnen in drie typen belastende werksituaties


In een emotioneel belastende werksituatie ('emo taak' in Figuur 1) rapporteren de medewerkers de aanwezigheid van meer emotionele hulpbronnen dan cognitieve en fysieke hulpbronnen. In een fysiek belastende werksituatie ('fys taak' in Figuur 1) ten slotte zijn er volgens de medewerkers meer emotionele hulpbronnen aanwezig dan fysieke en cognitieve hulpbronnen.

Relevantie van hulpbronnen in veeleisende situaties
Hoewel men zou verwachten dat de medewerkers cognitieve hulpbronnen relevanter vinden dan emotionele en fysieke hulpbronnen, blijkt het tegendeel waar te zijn; wanneer men zware geestelijke en intellectuele taakeisen het hoofd wil bieden, worden emotionele hulpbronnen als meest relevant beschouwd (zie Figuur 2).

Figuur 2 Relevantie van cognitieve, emotionele en fysieke hulpbronnen in drie typen belastende werksituaties

In lijn met de verwachtingen blijkt dat indien de medewerkers worden geconfronteerd met een emotioneel belastende werksituatie, zij emotionele hulpbronnen relevanter vinden dan cognitieve en fysieke hulpbronnen.  Hoewel men zou verwachten dat de medewerkers fysieke hulpbronnen relevanter vinden dan cognitieve en emotionele hulpbronnen, blijkt het tegendeel waar te zijn; wanneer men zware lichamelijke taakeisen het hoofd wil bieden, worden emotionele hulpbronnen als meest relevant beschouwd. 


Gebruik van hulpbronnen in veeleisende situaties
Als het gaat om het gebruik van hulpbronnen in een cognitief belastende werksituatie, dan geeft men aan meer emotionele en cognitieve hulpbronnen in te zullen zetten dan fysieke hulpbronnen (zie Figuur 3).

Figuur 3 Gebruik van cognitieve, emotionele en fysieke hulpbronnen in drie typen belastende werksituaties

Uit Figuur 3 blijkt eveneens dat medewerkers in een emotioneel belastende werksituatie meer emotionele hulpbronnen zouden gebruiken dan cognitieve en fysieke hulpbronnen. Tot slot blijkt namelijk dat indien de medewerkers worden geconfronteerd met een fysiek belastende werksituatie, zij meer emotionele hulpbronnen zouden gebruiken dan fysieke en cognitieve hulpbronnen.

Persoonlijkheid
Er is geen verschil tussen beide typen persoonlijkheid (d.w.z. vermijd- versus streeforientatie) als het gaat om het waarnemen en inzetten van hulpbronnen in een cognitief belastende werksituatie (niet afgebeeld). Ofwel, medewerkers die zich behoudend opstellen en een voorkeur hebben voor risicoloze situaties laten een zelfde patroon in de antwoorden zien als medewerkers die zich actief opstellen en risico's aandurven.
Er is een marginaal verschil tussen beide typen persoonlijkheid als het gaat om het waarnemen en inzetten van hulpbronnen in een emotioneel belastende werksituatie. Anders gezegd, medewerkers die zich behoudend opstellen en een voorkeur hebben voor risicoloze situaties, laten een zelfde patroon in antwoorden zien als medewerkers die zich actief opstellen en risico's aandurven, met dit verschil dat de eerste groep emotionele hulpbronnen relevanter vindt dan fysieke hulpbronnen, terwijl het de laatste groep om het even is.
Tot slot is er geen verschil tussen beide typen persoonlijkheid als het gaat om het waarnemen en inzetten van hulpbronnen in een fysiek belastende werksituatie. Medewerkers die zich behoudend opstellen en een voorkeur hebben voor risicoloze situaties, laten een zelfde patroon in de antwoorden zien als medewerkers die zich actief opstellen en risico's aandurven.


Conclusies

 

·        Ongeacht het type belasting dat een werksituatie met zich meebrengt (te weten cognitief, emotioneel of fysiek), blijkt dat emotionele hulpbronnen veruit het meest aanwezig zijn, het meest relevant worden bevonden en het meest zouden worden gebruikt.

·        Indien geconfronteerd met zware geestelijke en intellectuele taakeisen, blijkt men veelal niet-passende (emotionele) hulpbronnen waar te nemen en in te zetten. Hoewel de passende (cognitieve) hulpbronnen door de bank genomen niet betekenisvol verschillen van de niet-passende (fysieke) hulpbronnen, komen ze wel op de tweede plaats.

·        Indien geconfronteerd met zware emotionele taakeisen, is men van mening dat er veelal passende (emotionele) hulpbronnen aanwezig zijn, die tevens als meest relevant worden beschouwd en welke het meest zouden worden gebruikt.

·        Indien geconfronteerd met zware lichamelijke taakeisen, blijkt men veelal niet-passende (emotionele) hulpbronnen waar te nemen en in te zetten. Hoewel de passende (fysieke) hulpbronnen niet betekenisvol verschillen van de niet-passende (cognitieve) hulpbronnen, komen ze wel op de tweede plaats.

·        Persoonlijkheid (ofwel hoe men in het werk staat; behoudend/vermijdend versus actief/ risicovol) lijkt geen rol van betekenis te spelen; enkel in de emotionele taakeisen vignette bleken de medewerkers die zich behoudend opstellen en een voorkeur hebben voor risicoloze situaties, een ander patroon te laten zien dan de medewerkers die zich actief opstellen en risico's aandurven. Dit verschil had echter alleen betrekking op de relevantie van hulpbronnen.


Dit onderzoek kent een belangrijke beperking. De definitieve onderzoeksgroep bestaat namelijk uit slechts 83 van de in totaal 281 aangeschreven medewerkers (30%), waardoor de resultaten voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. Gegeven deze beperking, kan men concluderen dat emotionele hulpbronnen in het werk door de medewerkers van locatie Molentocht als een panacee (= middel tegen alle kwalen) worden beschouwd, ongeacht de persoonlijkheid van de medewerkers aangaande de wijze waarop zij in het werk staan. In de drie typen belastende werksituaties (te weten cognitief, emotioneel en fysiek) vindt men emotionele hulpbronnen door de bank genomen namelijk niet alleen het meest relevant, maar geeft men ook aan ze het meest te zullen gebruiken.
Indien emotionele hulpbronnen in het werk buiten beschouwing worden gelaten, dan blijkt dat indien de medewerkers met een cognitief of fysiek belastende werksituatie worden geconfronteerd, zij wel degelijk voor passende hulpbronnen kiezen; in een cognitief belastende werksituatie worden er veelal cognitieve hulpbronnen waargenomen en ingezet, terwijl men in een fysiek belastende werksituatie vooral fysieke hulpbronnen waarneemt en inzet.


Aanbevelingen voor de praktijk

Aangezien de medewerkers van locatie Molentocht veelal naar die hulpbronnen in het werk grijpen die het meest voor handen zijn maar niet altijd even goed passen, zijn de onderzoekers tot de volgende aanbevelingen gekomen:

·        Ter bevordering van de gezondheid en het welbevinden van de medewerkers van locatie Molentocht, is maatwerk noodzakelijk. Ofwel, men dient hoge prioriteit te geven aan de beschikbaarheid en zichtbaarheid van passende hulpbronnen in het werk. Concreet betekent dit dat indien men wordt geconfronteerd met respectievelijk cognitief, emotioneel of fysieke belastende werksituaties, men moet kunnen beschikken over achtereenvolgens cognitieve, emotionele en fysieke hulpbronnen in het werk. Tevens dienen de medewerkers – waar mogelijk – op de hoogte te worden gesteld van de aanwezigheid en effectiviteit van deze hulpbronnen.

·        Er zal binnen de organisatie een discussie op gang gebracht moeten worden aangaande de onderbenutting van cognitieve en fysieke hulpbronnen in het werk en de vragen die dit oproept; is hier sprake van een ingesleten cultuurpatroon waarin men vooral kiest voor hulpbronnen die goed aanvoelen (emotionele hulpbronnen) in plaats van hulpbronnen die effectief zijn? In hoeverre geeft de overbenutting van emotionele hulpbronnen blijk van een geneigdheid gevolgen te verzachten (bijvoorbeeld collega's die het vervelend voor je vinden dat je last van je rug hebt omdat je zo zwaar moet tillen) in plaats van de problemen bij de kern aan te pakken (bijvoorbeeld een tillift inzetten)? In hoeverre wordt de waarneming en inzet van passende hulpbronnen in het werk bepaald door het probleemoplossend gedrag van de medewerkers? En zou vaardigheidstraining de effectiviteit en efficiëntie aangaande de inzet van passende hulpbronnen ten goede kunnen komen?

Kortom, vragen die niet alleen nieuw onderzoek uitlokken, maar die ook zeker ter discussie zouden moeten staan binnen Zorgcirkel Waterland en locatie Molentocht in het bijzonder. Immers, de zorgsector verandert; prestatienormen worden aangescherpt, en effectief en efficiënt handelen is absoluut noodzakelijk geworden.


Deze aanbevelingen zijn universeel; ze gelden voor alle medewerkers, ongeacht de wijze waarop men in het werk staat (behoudend/vermijdend versus actief/risicovol).